Maar laten we de drie vormen eerst even doornemen. Er is een raadplegend referendum, een raadgevend referendum en een correctief referendum. Het raadplegend referendum wordt ook wel eens raadvragend genoemd. Deze vorm van een referendum past het slechtst bij een representatieve democratie. Omdat bij het uitschrijven van een dergelijk referendum politici hun verantwoordelijkheid niet nemen. Als je er vanuit gaat dat de 225 Kamerleden er zitten namens ons om zich, min of meer, full time bezig te houden met zaken waar wij de tijd niet voor hebben, zodat wij tijd hebben om ook voor hen straten te bestraten, brood te bakken en zieken te behandelen, dan geeft het geen pas als diezelfde politici bij lastige dossiers zeggen 'nu weten we het ook niet meer, zeggen jullie het maar'. Het uitschrijven van een raadplegend referendum, volgens mij is het op nationaal niveau slechts één keer gebeurd, is een teken van zwakte van de regerende partijen en illustreert een gebrek aan staatsmanschap en leiderschap.
Het raadgevend referendum lijkt een mooie optie. Als kiezers kun je, behoudens een minimaal aantal handtekeningen en een minimale opkomst, over zo'n beetje ieder onderwerp en deelonderwerp raad uitbrengen aan regering en parlement. Maar juist door het open karakter van deze vorm is het nagenoeg onmogelijk op voorhand vast te leggen wat de wetgever met een uitslag moet doen. De uitkomst van een raadgevend referendum kan namelijk tegen bestaande wetten of zelfs de Grondwet in gaan en daarom kan de uitslag niet zonder enig voorbehoud aangenomen worden. Je zou kunnen zeggen dat van de drie vormen, het raadgevend referendum de meest ingewikkelde is.
En dan is er ook nog het correctief referendum, de vorm waar beroepspolitici het meeste aversie tegen hebben. Een correctief referendum kan namelijk betekenen dat regering en wetgever weer helemaal terug moeten naar de tekentafel. Het principe van deze vorm is namelijk zo simpel dat een uitslag niet ter zijde gelegd kan worden. Kort gezegd komt een correctief referendum hier op neer: Zodra het parlement een wet bekrachtigd heeft, mag iedereen die het er niet mee eens is een referendum organiseren. Als hij genoeg handtekeningen verzameld, als de opkomst hoog genoeg is en als een meerderheid het met hem eens is, wordt de wet teruggedraaid. Bij ieder ander resultaat, niet genoeg handtekeningen, een te lage opkomst, een meerderheid die voor stemt, blijft de wet van kracht. Maar als een wet wordt weggestemd, dan moeten de politici aan de bak. Of hij moet zo herschreven worden dat hij wel geaccepteerd wordt, hij wordt op de lange termijn geschoven of helemaal en definitief teruggedraaid.
Het is niet geheel verwonderlijk dat er nu gekozen is om het raadgevend referendum mogelijk te maken. Juist omdat een uitslag bij deze vorm het makkelijkst naast je neer te leggen is. Een volksvertegenwoordiging die kiest voor een raadplegend referendum durft niet te kiezen en is niet in staat zijn eigen besluiten uit te leggen aan de mensen waarvan wel verlangt wordt op de juiste partij te stemmen. Een volksvertegenwoordiging die zeker van zijn zaak is, die zeker is van het mandaat dat het gekregen heeft van de kiezers, die in staat is een besluit uit te leggen, durft te kiezen voor een correctief referendum.
Het raadgevend referendum lijkt een mooie optie. Als kiezers kun je, behoudens een minimaal aantal handtekeningen en een minimale opkomst, over zo'n beetje ieder onderwerp en deelonderwerp raad uitbrengen aan regering en parlement. Maar juist door het open karakter van deze vorm is het nagenoeg onmogelijk op voorhand vast te leggen wat de wetgever met een uitslag moet doen. De uitkomst van een raadgevend referendum kan namelijk tegen bestaande wetten of zelfs de Grondwet in gaan en daarom kan de uitslag niet zonder enig voorbehoud aangenomen worden. Je zou kunnen zeggen dat van de drie vormen, het raadgevend referendum de meest ingewikkelde is.
En dan is er ook nog het correctief referendum, de vorm waar beroepspolitici het meeste aversie tegen hebben. Een correctief referendum kan namelijk betekenen dat regering en wetgever weer helemaal terug moeten naar de tekentafel. Het principe van deze vorm is namelijk zo simpel dat een uitslag niet ter zijde gelegd kan worden. Kort gezegd komt een correctief referendum hier op neer: Zodra het parlement een wet bekrachtigd heeft, mag iedereen die het er niet mee eens is een referendum organiseren. Als hij genoeg handtekeningen verzameld, als de opkomst hoog genoeg is en als een meerderheid het met hem eens is, wordt de wet teruggedraaid. Bij ieder ander resultaat, niet genoeg handtekeningen, een te lage opkomst, een meerderheid die voor stemt, blijft de wet van kracht. Maar als een wet wordt weggestemd, dan moeten de politici aan de bak. Of hij moet zo herschreven worden dat hij wel geaccepteerd wordt, hij wordt op de lange termijn geschoven of helemaal en definitief teruggedraaid.
Het is niet geheel verwonderlijk dat er nu gekozen is om het raadgevend referendum mogelijk te maken. Juist omdat een uitslag bij deze vorm het makkelijkst naast je neer te leggen is. Een volksvertegenwoordiging die kiest voor een raadplegend referendum durft niet te kiezen en is niet in staat zijn eigen besluiten uit te leggen aan de mensen waarvan wel verlangt wordt op de juiste partij te stemmen. Een volksvertegenwoordiging die zeker van zijn zaak is, die zeker is van het mandaat dat het gekregen heeft van de kiezers, die in staat is een besluit uit te leggen, durft te kiezen voor een correctief referendum.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten